Toetsbare rouwzorg door vrijwilligers is nodig en mogelijk!
Verslag van de Conferentie Project Rouwzorg op 15 april 2005
15 april 2005 vond de conferentie Kwaliteitsborging Vrijwillige Rouwzorg plaats. Daar werd de eerste inventarisatie naar de stand van zaken in de vrijwillige rouwzorg gepresenteerd. Vervolgens deelden mw. Dabekaussen van Slachtofferhulp Nederland en mw. Lam van het instituut voor vrijwillige inzet (CIVIQ) hun ervaringen met het opzetten van een kwaliteitssysteem in vrijwilligersorganisaties. Daarna gingen alle aanwezigen uiteen om de wenselijkheid en mogelijkheden van een kwaliteitsborgingsysteem te bediscussiëren. Hieronder volgt een samenvatting van deze discussie.
Alle aanwezigen zijn het erover eens dat er ondanks de verschillende doelen, grootte en werkwijze van huidige organisaties landelijke afspraken moeten komen over hoe organisaties werken en over wat een nabestaande van een vrijwilliger kan verwachten. Men moet elkaar ook op die afspraken kunnen aanspreken. Daarnaast is het voor verwijzende instanties van belang te weten wat waar aangeboden wordt, en hoe kwaliteit geborgd wordt.
Eigenheid
Wel willen organisaties graag hun ‘eigenheid’ behouden. Het is van belang om de algemene normen voor kwalitatief goede rouwzorg af te stemmen op alle verschillende vormen van rouwzorg. Dit is een zorg van met name kleinere en zelfhulporganisaties. Veel kwaliteitssystemen gaan uit van organisaties met beroepskrachten. Is het inrichten en gebruiken van een kwaliteitssysteem ook voor volledige vrijwilligersorganisaties haalbaar? En kan een vereniging of steunpunt voor vrijwilligers in de rouwzorg daarin ondersteunen? Organisaties die zich aan het kwaliteitssysteem willen verbinden kunnen een keurmerk krijgen. Daarmee spreekt men uit bewust met kwaliteit bezig te zijn. Dit is vooral ook naar nabestaanden en verwijzers toe belangrijk. Het opleggen van criteria of regels kan tegelijkertijd bedreigende kanten hebben. Alle organisaties zullen samen tot overeenstemming moeten komen.
Hoe meet je kwaliteit?
Essentieel is dat de kwaliteit toetsbaar wordt. Maar hoe kun je de kwaliteit van de rouwzorg meten? De contacten tussen vrijwilliger en rouwende vinden meestal plaats in een besloten situatie, hoe kun je dan iets te weten komen over dit contact? Door de vrijwilliger uit te nodigen in een veilige sfeer zijn ervaringen te delen en door de gebruiker te bevragen over zijn ervaringen. En daar vervolgens het werk op aan te passen. Het systeem moet gebruiksvriendelijk zijn en makkelijk te integreren in de dagelijkse gang van zaken. Als je teveel nadruk legt op deskundigheidsbevordering dan gaan mensen steigeren. Meerdere aanwezigen noemen vrijwilligers heel streng voor zichzelf. Zij willen het heel graag goed doen en zoeken daar ook de juiste informatie en ondersteuning voor.
Men is het over een ding eens: Scholing is belangrijk! Scholing is niet hetzelfde als theoretische kennis opdoen: je hoeft niet minimaal VWO te hebben om goede rouwzorg te bieden. Het gaat om bewustwording over je eigen houding en rol als vrijwilliger. Om kwaliteit te behouden is voeding voor jezelf en anderen een noodzaak. Intervisie en supervisie kunnen daar aan bijdragen.
Afstemmen en samenwerken
Weet u of andere afdelingen binnen de eigen organisatie kwalitatief vergelijkbare rouwzorg aanbieden? En wat weet u van de kwaliteit van verwante organisaties in de eigen regio?
Deze kennis is nodig als men naar een landelijk systeem wil werken. Er zijn inmiddels netwerken waar men alle regionale aanbod verzamelt en met alle betrokkenen afstemt. Heel overzichtelijk, zo ervaren de deelnemers. Door samenwerking kan men efficiënter werken en zich gezamenlijk presenteren richting verwijzers. Dat kan naast kwaliteitsverbetering ook een flinke kostenbesparing opleveren. Regionale platformen kunnen een goede structuur zijn om de instrumenten die binnen project Rouwzorg ontwikkeld worden gezamenlijk te gebruiken en te blijven aanpassen aan de behoeften. De platformen zouden zelf moeten kiezen welke elementen van het kwaliteitsinstrumentarium zij willen gebruiken.
Concluderend:
Aanwezigen uit de grotere organisaties willen samenwerken en certificeren. De definitieve vormgeving zal nog veel voeten in aarde hebben. Maar als er een goede begeleiding is tijdens de implementatie, zal het kwaliteitsborgingsysteem daar zeker een plek gaan vinden. De kleine organisaties zijn bezorgder over verlies van eigenheid. Zij vragen zich af of de eisen niet te hoog worden en of er ruimte blijft voor vrijwilligers die vanuit eigen verlieservaringen of intuïtie hun werk al jaren naar behoren doen.
Er staat de vrijwillige rouwzorg heel wat te doen. Organisaties moeten intern bepalen in hoeverre zij willen werken aan kwaliteit (=commitment), wie kan beslissen wat kwaliteit is (=mandaat) en hoe dat eruit ziet, alvorens de stap naar samenwerken gemaakt kan worden (=duurzaamheid). Deze processen, intern werken aan afstemming en extern afstemmen met anderen, kunnen gelijktijdig plaatsvinden en zullen elkaar zeker beïnvloeden. De invoering van het kwaliteitssysteem zal ongetwijfeld tijd en geduld vergen. Nieuwe vrijwilligers zullen makkelijker instappen in het nieuwe systeem, dan ervaren vrijwilligers die nu al werkzaam zijn zonder dit systeem.
Maar de noodzaak van toetsbare goede rouwzorg, dat is geen discussiepunt meer.